Politieke stromingen

Deze pagina zet de uitgangspunten van VVD, PvdA en CDA naast elkaar. Deze partijen vertegenwoordigen respectievelijk het liberalisme, het socialisme en de christen-democratie. Deze stromingen starten hun politieke geschiedenis in Europa in de negentiende eeuw en hanteren ieder hun eigen  beginselen. Voor de  ontstaansgeschiedenis en de basisfilosofie van deze stromingen is geraadpleegd: dr. W Banning: Hedendaagse sociale bewegingen; achtergronden en beginselen.


Het liberalisme in Europa hanteert het uitgangspunt van Adam Smith.

“Ieder individu kan het best voor eigen zaken zorgen. De staat en de samenleving moet zich zo weinig mogelijk met de onderlinge verhoudingen tussen de individuen bemoeien. De maatschappij is een merkwaardig complex van talloze spontane individuele handelingen, gericht op het individuele belang en toch komt daaruit, - als geleid door een onzichtbare hand -, een sociaal algemeen belang tevoorschijn. De vrijheid van het individu en het marktmechanisme van de economische krachten is de beste basis voor deze natuurlijke harmonie.”


In de Europese landen bracht het liberalisme helaas niet de sociaal-economische harmonie die Adam Smith in 1776 voorzag. De Industriële Revolutie leidde in Engeland al in het begin van de 19e eeuw tot mensonterende arbeids- en woonomstandigheden. Dat kwam toen al tot arbeidersverzet. In 1832 voerde Engeland een wettelijke basis in voor democratische invloed, recht op staking en betoging.

Marx geloofde toen niet dat deze ontwikkeling tot betere leefomstandigheden voor het proletariaat kon leiden. Hij geloofde in de ‘verelendung’ en omverwerping van de kapitalistische samenleving, zodat het kapitaal (grond en productiemiddelen) in handen van de arbeidende klasse zou komen. Hij zette zijn ideeën uiteen in het Communistisch Manifest van 1848.


Het socialisme wortelt in de vakbeweging van het Engeland van vóór 1848.  Robert Owen en de Fabian Society legden de basis in Engeland voor een vakbeweging, die later tot de sociaal-democratische beweging van Labour leidde. In Frankrijk was Jean Jaurès en in Duitsland was Lasalle de grondlegger van de sociaal-democratie. Zij geloofden veel meer in de sociale verandering naar meer gelijkheid door evolutie dan door revolutie. Ze  geloofden in de historische taak van de arbeidersklasse om in een sociaal-democratisch front te streven naar sociale gelijkberechtiging. Ze zagen dat als een culturele vooruitgang waarin arbeidersbelang en gerechtigheid samenvallen met mensheidsbelang. 

De sociaal-democratie in Nederland voegde zich pas stevig in deze traditie na de Tweede Wereldoorlog met de oprichting van de PvdA. Socialisatie van grond en productiemiddelen werden niet meer als heilig doel nagestreefd. Doel werd een gemengde economie met private ondernemingen en publieke sleutelbedrijven (met daarin een stevige rol van de overheid) om de belangen van de arbeidende bevolking te behartigen.


De Christendemocratie in Nederland ontleent zijn beginselen aan zowel de levens- en maatschappijvisie van katholieke denkers (o.a. Thomas van Aquino), pauselijke encyclieken (Pacim in Terris, Rerum Novarum) en protestantse politieke voormannen zoals Abraham Kuijper. In 1980 gingen de protestantse politieke partijen (AR en CHU) en de Katholieke Volkspartij (KVP) samen op in het CDA.

In de katholieke levensvisie is de maatschappij een kosmisch geheel binnen het universum, metafysisch gefundeerd door de goddelijke rede. Orde, wetmatigheid en harmonie is de redelijke structuur van Gods scheppingswerk. De mens is ook onderworpen aan het natuurrecht van deze orde. Hij heeft recht op een menswaardig bestaan, recht op respect, recht op onderwijs, recht op werk en recht op vereniging. De gemeenschap en de broederschap waarin de mens leeft is niet een optelsom van individuen, maar een organisch geheel dat op onderlinge samenwerking is gericht door het solidarisme (dat is de solidariteit in de goddelijke kosmische en metafysische orde). Dus niet het accent op het individualisme van het liberalisme, of het collectivisme van communisme en socialisme, maar het accent op de middenweg in de samenwerking van kapitaal en arbeid, werkgever en werknemer (encycliek Rerum Novarum 1891). In de leer van deze encycliek zijn individuen mensen met een grote sociale verantwoordelijkheid jegens elkaar.

Die samenwerking in maatschappelijke organisaties moet tot sociale rechtvaardig-heid leiden. De SER, en de poldercultuur, is vanuit dit beginsel opgericht. Het is een christendemocratisch beginsel, gefundeerd op de protestantse ‘soevereiniteit in eigen kring’ van Abraham Kuijper en op het katholieke ‘subsidiariteitsbeginsel’ (uit de encycliek Quadragesimo Anno 1931).

In de christen-democratische beginselen is de maatschappij opgebouwd uit gemeenschappen, organisaties en participerende burgers. Dus niet uit individuen zoals bij het liberalisme of uit twee belangengroeperingen, de rijkere ondernemers en de armere arbeidende bevolking, zoals bij het socialisme. In de christen-democratie vormen overheid, de organen in het maatschappelijk middenveld met daarin de participerende burgers samen het grote kosmisch geordende geheel van de mondiale wereldsamenleving. Daarin hebben de maatschappelijke organisaties en burgers het recht zich te ontplooien in de ordening en de wetten van het geheel. Het waardevolle leven vindt plaats in de levenssferen van deze maatschappelijke organisaties van gezin, beroep, school, vereniging en overheid. De politiek dient in deze ‘soevereine kringen’ alleen te interveniëren als het algemene samenlevingsbelang dat vraagt. Hogere maatschappelijke organen doen alleen die dingen die lagere organen niet in staat zijn te doen (het ‘subsidiariteitsbeginsel’).

Tot zover de weergave van Banning.


Na de Tweede Wereldoorlog werd in coalitiekabinetten van PvdA en KVP, wisselend aangevuld met AR, CHU of VVD coöperatief samengewerkt aan een stelsel van sociale voorzieningen. Mede door de poldercultuur in de Stichting van de Arbeid en SER werd deze politiek gedragen door vakbonden en werkgeversorganisaties. 


In en na de zestiger jaren leek er in Nederland een nieuwe cultuur van maatschappelijke en sociale bewegingen te ontstaan. Deze non-gouvernementele organisaties (n.g.o.’s) werden actief op het gebied van vrede, milieu, derde wereld en mensenrechten. Ook kwam in diezelfde tijd het politieke landschap behoorlijk in beweging met politieke afsplitsingen en nieuwe partijen. In de vele politieke partijen die we nu hebben, zijn de drie politieke bewegingen nog aanwezig maar ook uitgesplitst in nieuwe partijen. Groenlinks is bijvoorbeeld een partij die is voortgekomen uit progressieve afsplitsingen uit de drie hoofdstromen. De andere partijen zijn wat gemakkelijker in te delen in en traditie. De SP en de PvdA kun je een plek geven in de traditie van het Socialisme. In de traditie van het liberalisme zitten D66 en VVD. De PVV is een conservatieve afsplitsing van de VVD met een groot anti-Islam accent. Het CDA en de CU behoren tot de traditie van de christen-democratie.


Het christelijk sociaal congres van 1991 stelde vast dat de lange zoektocht van de christen-democratische traditie een gedachtegoed van vier kernwaarden had opgeleverd: gerechtigheid, solidariteit, rentmeesterschap en gespreide verantwoordelijkheid.

In de keuze tussen marktwerking of solidariteit vermeldt de encycliek Fides et Ratio (1998) van Johannes Paulus II dat vertrouwen (de zachte kant van het ondernemen) minstens zo belangrijk is als de rationele factoren (de harde kant).


Maar met dit 21e millennium zijn nieuwe politieke items actueel geworden. Veel burgers zijn ontevreden geworden over hun samenleving. De globalisering en de financiële crises en de rol van de politiek maakt het vertrouwen niet groter. PVV en SP zijn de grote vertolkers van de onvrede-aspecten in onze samenleving. Bepaalde beelden, ook soms vertekend, bijvoorbeeld de grote toestroom van buitenlanders of de grote macht van Europa stimuleren het zich bedreigd voelen en de onvrede.

Partijen zoals Groenlinks, D’66 en ook andere partijen benadrukken de echte bedreiging: de klimaatcrisis. Daarvoor hebben we in een sterke Europese regie  een innovatieve duurzame economie nodig (bijvoorbeeld van ‘cradle to cradle’) om economisch in de wereld te excelleren. Daarvoor is weer goed onderwijs nodig om alle beschikbare talent in de samenleving te benutten.