4. Europa en de globalisering

De wereld is één groot netwerk van economieën. De economische regio’s laten een diversiteit aan ontwikkeling zien. Noord-Amerika, Europa en Japan zijn de postindustriële regio’s die de wereldeconomie aanvoeren met Zuid-Korea, Taiwan, Maleisië en Australië als industriële satellieten. West Europa en Noord Amerika namen in de 19e eeuw het voortouw; Oost Europa, Japan, Taiwan en Zuid Korea zijn in de 20e eeuw gevolgd. Nu hebben ook nieuw opkomende economische regio’s Azië en Zuid-Amerika zich bij deze ontwikkeling kunnen aansluiten. Zij maken de sprong naar de moderne industriële samenleving met China, India en Brazilië als aanjagers. In deze regio’s groeit de beroepsbevolking in de industriële sector. Maar in Afrika werkt het merendeel van de beroepsbevolking nog in de agrarische sector.

De Afrikaanse Unie volgt daardoor de economische ontwikkeling op afstand. Maar ook voor dat continent is de belangstelling om het te ontwikkelen vanuit andere economische regio’s groot. Te verklaren vanuit de belangstelling voor de Afrikaanse rijkdom aan grondstoffen. Zo is de wereld één global village van economieën die van elkaar afhankelijk  zijn.


Wat mensen drijft

Vrijhandel en een open economie dat is het streven van de meeste landen in de wereld. 95% van alle landen vertegenwoordigd in de WTO onderschrijven de principes en kenmerken van de van origine Europese kapitalistische en liberale economie. Ze hebben protectie afgeschaft en streven naar economische groei naar Europees model. Ze willen daarbij steeds meer een politiek gaan voeren om ook achtergestelde lagen van de bevolking mee te nemen in de economische en sociale verbeteringen.

Wat de leiders in opkomende economieën in hun industriële groei drijft, is het bereiken van een welvaartsniveau zoals de mensen nu hebben in Noord Amerika, Japan en Europa. De wereldburger, ook in China, India en Brazilië, wil een goed inkomen voor een gedekte tafel, een huis, een auto, elektrische en elektronische apparatuur en stromend water.

Rond de eeuwwisseling naar de 21e eeuw begonnen de genoemde opkomende economieën deze start naar een beter welvaartspeil. Taiwan en Zuid-Korea gingen hen al voor en ook Oost Europa heeft sinds de val van de muur een economische opleving. In het kielzog van deze nieuwe economieën kunnen meerdere omliggende landen worden meegezogen in deze snelle groei. Het  kan zijn dat de kredietcrisis de groei nog kan vertragen.


De globalisering

Ambitieuze burgers participeren in de opkomende modernisering en spreken de taal van de dominante economieën met het oog op de eigen ontplooiing. Ze waarderen de kunstuitingen van de grote meesters van de Europese kunstgeschiedenis, vertolken hun muziek en bewonderen hun beeldende kunst. Kortom Europese waarden zijn tot in alle delen van de wereld doorgedrongen. Zeker ook in de landen die in het koloniale verleden van Europa een rol hebben gespeeld en Europese talen spreken. Navolging van de Europese economische en culturele waarden lijkt voor de y.u.p. in de jonge opkomende economieën synoniem met carrière maken en jezelf ontplooien.

Voordeel van de jonge economieën zijn hun lage arbeidskosten. In China zijn de arbeidskosten ongeveer 5% van die in West Europa; in India 8%; in Brazilië 16% en in Oost Europa 64%. Hun kracht om te concurreren met de welvarende landen groeit in deze landen snel omdat de infrastructuur zoals wegen, havens en onderwijs snel verbetert en de arbeidsmarkt goed inzetbare mensen levert tegen lage lonen.

Vergeleken met de West Europese producten en diensten zijn in deze landen door de lage loonkosten de producten goedkoper. De toenemende concurrentie verhoogt de druk op Europa om de arbeidskosten zo laag mogelijk te houden en te concurreren met innovatieve producten en diensten in duurzame productieprocessen.


Voor Europese en Noord Amerikaanse multinationale ondernemingen en beleggers is het interessant om in lage lonen landen te investeren. Op hun beurt investeren Chinese beleggers in de bedrijvigheid van de Westerse economieën. Één groot wereldnetwerk van kopen en verkopen van producten en diensten. Één groot netwerk van economische relaties, waarin intensieve stromen van transport, mobiliteit en migratie zich over de wereld bewegen. De nieuwe economieën maken als nooit tevoren deel uit van deze handel. Veel beweegt zich nog naar Noord-Amerika en West Europa, maar de verschuivingen gaan beginnen in de richting van de genoemde jonge opkomende markten. Met deze eenwording van de wereldmarkt neemt de concurrentie en de economische beïnvloeding over en weer toe.

Voor bedrijven kan het gunstig zijn om arbeidsintensieve afdelingen, die voornamelijk scholing in vaardigheden vragen, te verplaatsen naar de lage lonen landen. Hooggeschoolde arbeid in bijvoorbeeld de chemische, technische en technologisch ontwikkelde bedrijvigheid hoopt West Europa in huis te houden. Maar ook de arbeidsmarkten in de lage lonen landen kunnen steeds meer hooggekwalificeerde arbeid leveren.

Europa wil in zijn economische politiek voorkomen dat het zijn toonaangevende positie verliest. Europa wil sterk in de wereldeconomie haar missie naar duurzaamheid in het wereldnetwerk realiseren. Het kan zich dan als gids profileren naar een nieuwe wijze van produceren en dat kan Europa met zijn inclusief denken beter dan de nu dominante VS.


De onzekere dollar

Een onzekere factor in de economische dominantie van de VS is de dollar. Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft de VS deze positie in de wereldeconomie. Met een sober sociaal systeem weten de Verenigde Staten de economische groei in de start van de 21e eeuw nog steeds te handhaven, maar er doemen met de kredietcrisis financiële problemen op.

Landen in de wereld worden zich bewust van de status van de dollar. De Euro stijgt in vertrouwen. Ook in de valutareserves van landen stijgt de euro en is de dollar dalende. Een  verdere omslag lijkt bij onveranderd beleid een kwestie van tijd.

Zo gauw de financiers van het Amerikaanse tekort niet meer geloven in het herstellend vermogen van de economie van de VS kan dat de neergang van de dollar als standaardvaluta in de wereldeconomie gaan inluiden.


Zo verging het ook de eerste dominante munt de florijn uit Florence. In de 14e eeuw verwierven de Italiaanse steden Florence, Venetië en Genua een centrale handelsrol in de toen bekende wereld. Holland nam die rol in zijn Gouden Eeuw van Florence over. De florijn (fl.) moest in de 17e eeuw zijn dominante positie afstaan aan de Nederlandse gulden. Na de 17e eeuw verloor Holland de dominante handelspositie aan Engeland. Het Engelse pond werd daarna de dominante munt.

Na de Tweede Wereldoorlog is de Amerikaanse dollar het betaalmiddel op wereldniveau geworden. Maar ook die positie staat nu onder druk. De vraag is of de EU de krachtige economie is die met zijn Euro op den duur de standaard van de dollar kan gaan overnemen. De economische regio’s in Azië rondom China kijken in ieder geval met belangstelling naar de Euro. Ze kunnen overstappen op de Euro maar ook zelf een sterke gezamenlijke munt introduceren. Dan doet ook de Chinese yuan renminbi mee in de race om een dominante positie.


De grenzen aan de groei

De aardse rijkdom aan grond - en brandstoffen vormt een belangrijke voedingsbodem van de wereldeconomie . De Westerse wereld heeft daarmee een ongekende welvaart bereikt. Sinds de rapporten van de Club van Rome (1972 en 1974) weten we dat die voorraden eindig zijn en dat er grenzen zijn aan de groei.


Maar de opkomende markten begeren wat ook het rijke Westen nastreeft: een economische welvaart voor hun bevolking. Maar meer welvaart betekent nog te vaak meer bedreiging van de ecologie, zoals het kappen van regenwouden. Meer industriële productie betekent te vaak meer schaarste aan grondstoffen en energie en verdere aantasting van het zelfreinigend vermogen van de natuur. Deze problemen waren eerst alleen Westers, maar het zijn nu wereldproblemen geworden. We hebben nu een te grote uitstoot van industriegassen, te veel vervuiling van het oppervlaktewater en te veel afbraak van het milieu. Het klimaat verandert. We hebben te maken met de opwarming van de aarde en een stijgende zeespiegel. Meer welvaart kan het welzijn van de mensheid op aarde bedreigen als het gepaard gaat met aantasting van het zelfreinigend vermogen van de natuurlijke biotopen op het land, in het water, in de zeeën en in de lucht. Die aantasting maakt het mondiale netwerk ook economisch kwetsbaar. Het zelfherstellend vermogen en het natuurlijk evenwicht in het organisme aarde kan blijkbaar niet onbeperkt belast worden. Het evenwicht kan verstoord worden.


Een Westerse levensstijl met de productieprocessen zoals we die nu kennen is niet te realiseren in heel de wereld zonder de eindigheid van de aarde dichterbij te brengen. Voor het voortbestaan van de welvaart in de wereld is het van belang dat we anders gaan denken en handelen. De komende decennia zal wereldwijd een omslag gemaakt moet worden. Om te overleven zijn de economische machten in de wereld van elkaar afhankelijk geworden. De wederzijdse kwetsbaarheid is het dilemma en de oplossing. Het brengt de wereld op een keerpunt, omdat de economische blokken elkaar nodig hebben om hun problemen goed op te lossen. In de gezamenlijke afspraken kan er een duurzame economische groei ontstaan met een houdbaar productie - en consumptiepatroon. In dat patroon teren we niet verder in op de aardse rijkdommen en voorraden en wordt het zelfreinigend vermogen van het organisme aarde niet verder bedreigd.


Industrielanden, waaronder de Europese Unie zijn in het klimaatverdrag van het Japanse Kyoto (1997) een reductie van de  uitstoot van CO2- en andere industriële gassen overeengekomen. Tot 2012 heeft de EU zich gebonden aan een reductie van 12% om uiteindelijk in 2020 uit te komen op een reductie van 30%.

De reductiepercentages verschillen per land. Dit percentage geeft ook het plafond aan van het recht tot uitstoot van de vervuilingsgassen. Landen die gemakkelijk toekunnen met het hun toegekende recht kunnen hun surplus verkopen aan landen die een tekort hebben aan uitstootrechten. Het  verdrag lijkt tot nu toe meer een levendige handel in emissierechten tussen bedrijven te hebben opgeleverd dan innovatieve investeringen in productie met minder uitstoot van broeikasgassen.

Wat betreft het realiseren van het Kyoto-protocol zijn er ambitieuzere doelen nodig: private en publieke initiatieven voor duurzame productietechnieken met minder fossiele brandstoffen en met minder uitstoot van CO2.

Klimaat- en grondstofverdragen, onder auspiciën van de VN, zoals die van Kyoto, kunnen de wereld niet redden: Australië en de grootste vervuiler Amerika haakten al vlot af. Met de afspraken in Kyoto zijn voorlopig de economische machten verontschuldigd of gelegitimeerd om verder te groeien zonder dat ze de productieprocessen wezenlijk duurzaam hoeven te maken. Kyoto zal dus niet de omslag brengen. Misschien de energienota 2007 van Barosso.


Armoede

Een te grote armoede kan ook een ecologisch verantwoorde productie en consumptie blokkeren. Dat gebeurt soms in de Derde Wereld. Door overbeweiding kan verwoestijning ontstaan. Een te grote afhankelijkheid van de export van koffie, thee, katoen, tabak en andere producten zonder bemesting kan uitputting van de grond tot gevolg hebben.

Veel arme landen hebben genoeg landbouwgrond om de eigen bevolking te voeden. Alleen gebruiken de mensen daar hun grond niet voor. De boer heeft zijn grond nodig voor het telen van de exportproducten. Om te bestaan moeten ze hun landbouwproducten tegen telkens lager wordende prijzen (op de wereldmarkt) exporteren naar de rijke landen. De rijke landen hanteren ook nog handelsbelemmeringen om de eigen voedselproductie te beschermen. Ook al stijgt de productie van de derde-wereld-boeren, door de telkens dalende prijzen krijgen ze nauwelijks meer inkomsten. Zorgen voor een ecologisch verantwoorde productie of meer landbouwgrond bestemmen voor de eigen voedselvoorziening is door de dalende inkomsten steeds minder een optie. Hun hele landbouw blijft zo op deze exportproducten ingesteld en laat door de blijvende armoede ecologisch te wensen over.

Op de conferenties van de wereldhandels-organisatie WTO in 2004 in Cancun en in 2006 wilden de landen van de WTO de protectie en belemmeringen in de vrijhandel slechten. De rijke Westerse landen wilden voor hun eigen gesubsidieerde agrarische producten nog niet een liberalisering van de wereldmarkt.


De EU-landbouw

De Europese landbouw is door het eigen productiesucces aan de overmatige subsidie gekomen. De verbeteringen in de vijftiger jaren: grootschaligheid, mechanisering, betere bemesting en ziektebestrijding leidde tot zo’n groei in de agrarische productie dat het overproductie tot gevolg had. Door het te grote aanbod zakten de landbouwprijzen dramatisch. Om de problemen met de overproductie op te lossen worden nog steeds de landbouwproducten soms drie maal gesubsidieerd: in de minimumprijzen, in de export en in de opslag of de verwerking.

De minimumprijzen krijgen de boeren als een bodemprijs in het te grote aanbod van hun producten. Het werkt als een gegarandeerd basisinkomen. Die prijs wordt vastgesteld door de landbouwministers van de EU. Dat is niet de prijs die wordt bepaald door de krachten van vraag en aanbod in een open economie.

Voor de eigen Europese bevolking produceren de Europese boeren te veel. De EU wil de landbouwproducten exporteren naar landen buiten Europa. Om te concurreren op de wereldmarkt liggen de prijzen te hoog. Door de EU exportsubsidies kunnen de exporteurs toch hun landbouwproducten tegen een goed te verhandelen prijs buiten Europa kwijt. Soms lukt het zelfs niet de landbouwproducten buiten Europa te verkopen, dan moeten de overschotten met EU-geld worden opgeslagen of met EU-geld als grondstof tot andere producten worden verwerkt.

Om de eigen landbouwproducten te beschermen heft de EU invoertarieven op de geïmporteerde landbouwproducten bijvoorbeeld op die uit de Derde wereld.

Op WTO conferenties is afgesproken dat de EU tot 2012 de tijd krijgt om dit landbouw-subsidiebeleid, van rond de 40% van de EU-begroting, af te bouwen.  Als Europa de landbouwsubsidies afschaft wil Europa dat de Verenigde Staten de subsidies aan de Amerikaanse katoenboeren staken en hun graanoverschotten niet meer als ontwikkelingshulp in de derde wereldlanden dumpen.


Duurzaam agrarisch

Tot 2012 hebben de Europese agrariërs de tijd om een duurzaam bestaan op te bouwen. Het agrarisch bestaan van de Europese boer zal blijven, maar wel in andere omstandigheden.

De boer in Europa is al heel creatief om zijn inkomen te verhogen. Velen weten al een biologische meerwaarde in hun producten aan te bieden waardoor hun prijzen en inkomens stijgen. Veel boeren zijn naast agrariër ook detaillist geworden en bieden dan niet alleen de bewerkte agrarische producten van zichzelf aan, maar ook de producten van collega agrariërs uit de omgeving: kaas, ijs, groente, fruit, jam, zuivelproducten kunnen zo de winkelruimte vullen.

Dan is de stap naar horeca en toerisme niet zo groot meer. Agrariërs die met een restaurant, een camping en pension- en hotelfaciliteiten in eigen onderhoud voorzien. Voor de gasten bieden ze ook nog georganiseerde excursies naar collega agrariërs aan om kennis te maken met de wijze van (milieuvriendelijk) agrarisch produceren. Voor recreatie en toerisme blijft natuur- en landschapsbeheer noodzakelijk. De overheid kan deze taken tegen betaling voor uitvoering delegeren aan de boer.

Tenslotte zal de agrarische sector in de toekomst ook interessant worden voor de teelt van biobrandstoffen.


Het Westen en de Islam

Een bedreiging van de wereldeconomie is ook het terrorisme. Al een halve eeuw staat deze tegenstelling op scherp tussen Israël en de Palestijnen. Een voortdurende staat van vijandschap tussen Israël en de omliggende moslimlanden blijft verdeeldheid zaaien tussen de moslimwereld en het Westen.


De Islamitische Revolutie in 1979 in Iran was ook ingegeven door een aversie tegen het Westen. De pro-westerse Sjah van Iran werd verdreven door ayatollah Khomeiny en uiteindelijk kwamen de moslimgeestelijken daar aan de macht. In 1979 werd voor het eerst duidelijk dat de zwijgende meerderheid in de Moslimwereld er zeer traditionele religieuze opvattingen op na houdt. Sindsdien is een diepe kloof zichtbaar geworden tussen de op religieuze waarden gebaseerde traditionele Islamitische wereld en de Westerse samenleving. Westerse waarden van materialisme en hedonisme rukten op in de Moslimwereld en vormden te veel een bedreiging. Fundamentalistische moslims lieten zich zo nu en dan op agressieve wijze uit over de verderfelijke westerse zeden in kleding en seksualiteit. Radicale moslims voegden de agressieve daad bij het woord en voerden aanslagen uit op Westerse gebouwen elders in de wereld. Maar de dreiging ontstond pas echt bij de aanslag op de Twintowers op 11 september 2001. Toen werd het de wereld duidelijk dat er een probleem bestaat tussen de cultuur van het Westen en de cultuur van het moslimfundamentalisme. De inval van het Westen in Afghanistan en Irak heeft die verdeeldheid tussen de radicale Islam en het Westen alleen maar aangewakkerd. De aanslagen in Afghanistan en in Irak drijft ook een wig tussen de radicale richtingen van de Islam. Het werkt ook door in de verhoudingen tussen de moslimmigranten in Europa en de autochtone bevolking. Het verscherpt de tegenstellingen en het bevordert de integratie van moslimmigranten in Westerse landen niet.


De leer van de Islam

Volgens de orthodoxe leer van de Islam en de Koran hoort de moslim zich over te geven aan de plichten van de Islam. Allah is God, Mohammed is zijn profeet en de moslim is aan ze onderworpen. De hiërarchie van de hogere machten bepaalt het leven van de mens. In dat geloof is geluk, ongeluk, tegenspoed en voorspoed je door Allah toebedeeld. Door te doen wat is toegestaan (halal) en te laten wat is verboden (haram) zal door bovennatuurlijk ingrijpen je lot worden bepaald. Het aardse leven is van minder waarde dan het hiernamaals. Na de dood volgt de beloning van het aardse leven. Mocht je in de strijd om de eer van de Islam als martelaar sterven dan wacht je als man het paradijselijke leven met vele maagden. Bega je in het leven de overtredingen tegen de halal en haram, dan wacht je op aarde de berechting volgens de wrede straffen van de sjaria.

De orthodoxe moslim met dit zuivere geloof hanteert overgave als basishouding. Hij gelooft niet dat hij zijn eigen leven kan maken. Dat speelt ook een rol in de traditionele familiecultuur. Het is de eer van de man dat de familie zijn gezag erkent en zich laat leiden door zijn sturing. Als sturing bovendien beperking van de participatie in de samenleving inhoudt, bevordert dat de apathie en het fatalisme bij vrouwen en leidt tot gebrek aan initiatief en ambitie. Onderwerping en passiviteit kan dan gepaard gaan met een aversie tegen de geseculariseerde waarden van de Westerse cultuur.

Een hardnekkige traditionele cultuur kan dan een jihad worden van moreel verzet tegen de moderne samenleving. Dan kunnen sympathie met de absolute islam de vooroordelen tegen de westerse samenleving voeden. Temeer als in het denken van moslims, de representanten van het Westelijk denken, de christenen en joden minder zijn dan de moslim-gelovigen en toch in maatschappelijk succes door moslims niet zijn te evenaren. Intolerantie, onverdraagzaamheid en gebrek aan loyaliteit aan onze moderne samenleving liggen dan op de loer. Het welvaartsverschil is in de beleving van moslims dan een cultuurverschil geworden waartegen een jihad gevoerd moet worden. De mislukte identificatie met het Westerse levensgevoel kan dan de legitimering van geweld zijn. Jihadterrorisme kan dan de Westerse economische regio’s bedreigen. Door hun terrorisme en politieke agressie willen ze slachtoffers maken onder de bevolking en de welvaart en het succes van de economische regio’s te gronde richten.


Terrorisme

Europa is de repressie door oorlog en geweld voorbij, maar door het terrorisme is het weer aanwezig. Geweld en repressie komt nauwelijks meer van gewelddadige soevereine staten. Het geweld heeft zich verplaatst naar individuen, die op internet gesteund worden door gewelddadig gedachtegoed. Oorlog in de wereld is bedreiging, geweld en terrorisme van individuen geworden. Een strijd van individuen tegen bevolkingsgroepen, landen en economische regio’s. Hun repressieve drijfveer is de negatieve mimese van Girard, zoals dat in Wat de mens bezielt wordt beschreven. Het niet willen of kunnen zijn als de ander. De ander behoort tot een economische regio met een te verwensen moraal, cultuur, etniciteit of religie, die daarentegen toch dominant, succesvol en welvarend is en daardoor de agressie opwekt.

De jihadterrorist gelooft, net zoals andere denkers van de repressie dat alleen de onvrijheid van de onderdrukkende (religieuze) staat de samenleving behoort te beheersen. Ze geloven dat alleen hiërarchie en machtsvertoon orde in de samenleving scheppen. Ze denken dat zonder repressie al die soevereine burgers het lot en het eigenbelang in eigen hand nemen en een geweldige anarchie veroorzaken. Het terrorisme bestrijdt een samenleving met een mogelijke ontwikkeling naar humane waarden, een democratie of een rechtstaat.


De volgende pagina (zes) geeft een beschrijving van de ontwikkeling van Europa. Het beschrijft in vogelvlucht hoe we ontwikkeld zijn tot ons modern levensgevoel van vandaag. De Renaissance, de Verlichting, de Industriële Revolutie, het afscheid van het gezin als productie-eenheid en de omslag naar meer individualisme hebben ons daartoe gebracht.


De pagina daarop (zeven) gaat in op de levensbeschouwelijke grondslagen van Europa. De meerdere crises maken een cultuuromslag naar een andere moraal nodig. Vroeger zorgde  de kerk voor de moraal in de samenleving. Maar wie geeft nu met verhalen morele richting aan het gedrag van mensen. Met de inzichten van Girard, Levinas en Maslow wordt duidelijk gemaakt Wat de mens drijft en bezielt.


Pagina acht pakt de draad weer op over de rol van Europa en Nederland in de wereld. Het beschrijft hoe de transformatie van de wereld als een Europese droom zich op vijf niveaus al aan het realiseren is.


Geraadpleegde literatuur


Bax, Wouter. Kyoto-verdrag: Schone handel in vuile lucht. Trouw 13 februari 2006


Dalrymple, Theodore. Is het oude Europa gedoemd tot de ondergang? Trouw, 25 maart 2006


Hirsi Ali, Ayaan. Gun ons een Voltaire. Trouw 20 mei 2006


Koch, Han. Afscheid Greenspan: Veel groei, veel schulden. Trouw, 30 januari 2006


Koopman, Edwin. Latijns Amerika en de VS. Trouw 11 mei 2006


Labohm, Hans. Requiem voor Kyoto. Trouw 8 oktober 2005


Moes, Gijs.

Globalisering: De enige weg voor Europa: vooruit. Trouw, 6 januari 2006

Globalisering: Chinese autorijder dwingt innovatie af, anders gaat het mis. Trouw, 17 januari 2006.

Nieuw model voor Azië uitvinden. Trouw 12 april 2006

Groei China doet VS huiveren. Trouw 21 april 2006


Roessingh, Martijn. China wordt geen wereldrijk.  Trouw 24 april 2006


Rijswijk, Esther van. De truc van Greenspan. Elsevier 8 oktober 2005


Wijk, Rob de. Europa moet een supermacht worden. Amsterdam, Mets&Schilt, 2005.


Tegenlicht zondag 5 februari 2006 (Net 3) No time for losers. De overlevingsstrijd van de Nederlandse ondernemer


Welgraven, Co. Broedplaatsen van terreur. Trouw 27 mei 2006